Belgisch surrealisme

portrait of paul nouge 1927-1Verwacht u niet aan een Belgenmop. Ik ga het hebben over het surrealisme als kunstbeweging en niet over de politieke functionering van het koninkrijk van Filip I, de katholieke vorst die op mysterieuze wijze in 2013 die andere katholieke koning opvolgde, namelijk Filips II (1527-1598), de man die altijd werd geëerd door Willem de Zwijger, ook al was die van Duitsen bloed. De geschiedenis vertoont rare kronkels.

De Belgen zijn geen Fransen en het Belgisch (voornamelijk Waals) surrealisme verschilt van zijn Franse oermoeder, het één en ondeelbare surrealisme van André Breton, citoyen van de één en ondeelbare République. In zijn boek Histoire désinvolte du surréalisme (“Vrijmoedige geschiedenis van het surrealisme”) vermeldt Raoul Vaneigem het critische pamflet van 7 juni 1947 van de Revolutionair-Surrealisten, een groep Belgische dissidenten, gericht aan de hele beweging. ketterse dissidenten heten Paul Bourgoigne, Achille Chavée, Christian Dotremont, Marcel Havrenne, René Magritte, Marcel Mariën, Paul Nougé et Louis Scutenaire.

Sinds het einde van de oorlog slaat de Franse beweging de weg in van mystiek en alchemie terwijl zijn politieke interventies kenmerken beginnen te vertonen van verwarring en groeiende debiliteit. (Dat de alchemie nog steeds leeft in de Franse surrealistische bewegingblijkt in la Maison Surréaliste in het in de wolken schuilende stadje Cordes, op zo’n 20 km van waar ik woon. Ze verkopen daar allerlei alchemistische handleidingen en astrologische compendia.) Vandaar de kritiek der Belgen.

“Spijtig echter”, concludeert de ex-situationist Vaneigem, “laten de Belgen meteen zien wat hun protest betekent (… ), de ondertekenaars verklaarden ter plekke hun volledig vertrouwen in de Communistische Partij”. Wie mystiek en tovenarij afwijst in ruil voor stalinisme, vaart van Scylla naar Charibdis.

De lectuur van het boek, geschreven in 1970 en gepubliceerd in 2013 is vaneigens moeilijk. Het vergt een serieuze kennis van de geschiedenis van het surrealisme. Ik denk dat zijn centrale boodschap, met al zijn sympathie voor de positieve aspecten van de beweging, ons meedeelt dat het surrealisme “niet heeft voorzien dat het ‘ontstellend object’ [en centraal gegeven van het surrealisme] zou worden omgevormd in een koopwaar, in een conditionerende gadget, en dat uiteindelijk de beweging zich tevreden zou stellen met schermutselingen aan burgerlijke front”. Zo wordt de kunst opnieuw een autonome sfeer t.o.v. de maatschappelijke totaliteit, fetisjisme, wat het surrealisme oorspronkelijk veroordeelde.

Ik wil nog even de surrealistische cultus van de Vrouw, dat mysterieuze object van de mannelijke lust, signaleren. Xavière Gautier publiceerde in 1971 Surréalisme et sexualité dat een interessant licht werpt op de beweging.

Op de achterkaft lezen we : “We staan ver van de trieste optocht van de vrouwhatelijke en moraliserende banaliteiten van een bepaalde surrealistische literatuur, waar men de perverse figuren in de ban slaat en schandelijk gedrag veroordeelt. Sacralisering van de vrouw of de drang haar te vernietigen: dat is de dubbelzinnigheid van een wereld van waanbeelden waarin de vrouw, meesteres van de seksuele macht, heerst in haar onrustbarende vreemdheid.” De contradictie, zou Friedrich Engels opmerken, maakt deel uit van de werkelijkheid.

Schilderij : portret van Paul Nougé door René Magritte, 1927.
Print Friendly, PDF & Email
Share This