Een eerbetoon aan François Vercammen

Franc_oisOp vrijdag 3 juli vond in Brussel op initiatief van zijn nabestaanden, vrienden en vriendinnen en kameraden van de SAP-LCR en de 4e Internationale, een hommage plaats aan François Vercammen, die op 16 juni na een vreselijke ziekte overleed. Meer dan honderd familieleden, vrienden en kameraden namen aan het eerbetoon deel. Hieronder publiceren we alvast de toespraken die Daniel Tanuro (namens de leiding van de SAP-LCR), Nadia De Mond en Ida Dequeecker (beide goede vriendinnen en kameraden van François) op het eerbetoon gaven.


François Vercammen, of de kunst van de praktische politiek

Door Daniel Tanuro

” Politiek is een concrete activiteit die je afmeet aan haar praktisch resultaat “: dit heb ik François heel lang geleden horen zeggen. Hij sprak toen met een jonge kameraad, half marxist en half anarchist, wiens verhaal vol zat met geleerdheden gehaald bij modieuze filosofen en sociologen.

Het lijkt niets, maar dit zinnetje vat samen hoe François aankeek tegen politieke activiteit. Als was hij een ambachtsman was politiek voor François arbeid, productie volgens een plan dat hij bijstuurde doorheen het contact met de realiteit.

Voor François was dit natuurlijk niet gelijk welke politiek, maar revolutionaire politiek, op basis van een radicale kritiek van het kapitalisme en de burgerlijke samenleving – een kritiek zoals die op geniale wijze werd ontwikkeld door Marx en uitgediept door anderen, meer bepaald Ernest Mandel.

Bewustzijn produceren

François had veel bewondering voor Ernest, die hem dan weer beschouwde als zijn spirituele zoon. Ze waren beiden van Antwerpen, en daar waren ze fier op, maar dat volstaat uiteraard niet als verklaring voor hun band. François waardeerde hoe Ernests ingewikkelde zaken uitlegde, eenvoudig maar zonder simplisme, pedagogisch maar zonder neerbuigendheid of paternalisme. Ernest van zijn kant zag in François het bewijs dat hij een kind van de arbeidersklasse toegang kon geven tot de meest gesofistikeerde begrippen van het marxisme.

François waardeerde de kwaliteiten van Ernest juist omdat politiek voor hem een concrete activiteit was. Het belangrijkste meetbaar resultaat van deze activiteit moest natuurlijk de verhoging zijn van het bewustzijnsniveau van de voorhoede van de arbeidersklasse, de actieve kracht in de omvorming van de wereld.

Dus was dit het werk waar François zich elke dag aan zette: de productie van revolutionair klassenbewustzijn. Hij stond vroeg op, kwam niet altijd vroeg aan op de zetel van de afdeling, maar ging wel altijd vroeg aan de slag, te beginnen met het lezen van de kranten: De Standaard, Le Soir, La Libre, Le Monde, later de Financial Times, de Corriere della Serra… François werkte systematisch en verzamelde krantenknipsels per thema in talloze fardes.

Eerste stappen

François begon dit werk in de jaren 63-64, aan de universiteit van Gent. Freddy De Pauw was voorzitter van de communistische studenten maar werd uitgesloten uit de KP wegens trotskisme, na een politiek proces dat deed denken aan de donkerste jaren van het stalinisme. François was twintig en reeds op zoek. Hij nam contact op. Samen met Tony Van Den Heurk, Guido Totté, Jan Calewaert en enkele anderen richtten ze de MRS op (Marxistische Revolutionaire Studenten), wat later de MRB werd (Marxistische Revolutionaire Beweging).

Een ganse generatie werd hier gevormd : Paul Verbraeken, Eric Corijn, Jo De Leeuw, Jan Van Kerkhoven, en anderen… De groep controleerde de Socialistische Vlaamse Studentenbeweging (SVSB), de SJW (Socialistische Jonge Wacht) en de ABVV-studenten, en kwam tussen met pamfletten aan de ACEC en in de chemie. Ze vergaderden elke week, en Freddy herinnert zich een periode toen elk lid volgens een beurtrol een hoofdstuk presenteerde van “de Traité”(Het Handboek van de Marxistische Economie van Mandel). Later werd in Antwerpen een tweede kern opgericht, met onder meer Frank Maerten en Fons Van Cleempoel.

François was de spilfiguur, de intellectueel. Hij verslond boeken zoals hij gans zijn leven zou blijven doen, meer bepaald historische werken. ” De geschiedenis is ons boek “, zei hij dikwijls. Hij beaamde volmondig een uitspraak van Gramsci: ” Wie niet weet waar hij vandaan komt weet niet waar hij naartoe gaat “. Maar zijn belangstelling was niet zomaar theoretisch: wat hem interesseerde was de strategie.

Een warme man

François was niet de meest activistische op het terrein, en zou het nooit worden. Er hing over hem steeds iets van een eigenaardige timiditeit, als een angst voor de buitenwereld die van zeer ver kwam. Om die angst te bemeesteren vluchtte hij tussen zijn boeken. Deze trek van zijn persoonlijkheid stak scherp af tegen zijn lef. Zo had hij het lef om zonder complexen vanaf het eerste jaar aan de universiteit zijn professoren aan te pakken, zoals Jaap Kruithof. Zo zou hij later de polemiek aangaan met de secretaris generaal van het ABVV met de brochure ” Antwoord aan Debunne “, geschreven in één nacht. Nog later bleek zijn stoutmoedigheid in de contacten die hij nam in gans Europa, met Tony Benn, Fausto Bertinotti en vele anderen, in het kader van de Europese Antikapitalistische Linkerzijde.

François was er niet op uit zichzelf op het voorplan te schuiven, en dat zou zo blijven. Hij stelde zijn kunde en brede kennis volledig ten dienste van de koers en interne organisatie van de groep, in de overtuiging dat het ” instrument partij ” onmisbaar was voor de ontvoogding van de arbeidersklasse, en dus van gans de samenleving. Hij stelde zijn talenten prioritair ten dienste van de arbeidersmilitanten. Hij was het die de gedachten van onze kameraad Andre Henri op papier zette in het fameuze ” Manifest van de arbeiders van Glaverbel-Gilly “, aangenomen door de stakers als basis voor hun historische strijd in 1975.

François was een leider omdat hij als dusdanig erkend werd. Heel bescheiden, joviaal, grapjes makend, met liefde voor het leven, de vrouwen, de liefde en de Beatles, klein maar sportief en goed gebouwd (hij heeft even geaarzeld tussen de revolutie en voetbal in eerste klasse), was hij iemand die mensen aantrok, en wie hem nabij stond kende zijn tederheid. Wie er bij was zal niet snel het smakelijk grappig nummertje vol vriendelijkheid vergeten dat hij opvoerde bij de zestigste verjaardag van Denis Horman, in 2002. Tegelijk kon hij intern een harde polemiek voeren, was hij onverzettelijk in de revolutionaire moraal en dreef hij ongenadig de spot met zij die streefden naar titels, eer en roem. Die koers hield hij heel zijn leven aan, al werd hij minder scherp en warmer met het ouder worden en de ervaring.

De wereld veranderen

De vader van François was dokwerker en voetballer. Het is verleidelijk in deze vaderfiguur de verklaring te zoeken voor de erg praktische opvatting van François over politiek. Marx zei dat het kapitalisme het proletariaat de discipline bijbrengt die het nodig heeft voor de strijd. Maar volstaat dit als uitleg? Allicht niet. François was bovengemiddeld intelligent, en zijn sterke kennis van het marxisme evenzeer als zijn sociale achtergrond verklaart zijn snelle ontwikkeling tot een buitengewoon politiek leider.

Betekenisvol wat dit betreft is de houding van François tegenover de filosofie. In een debat over ” De Hoop heruitvinden ” , het werkje dat we samen ondertekend hebben net na de val van de Muur, verklaarde hij dat hij de filosofie wantrouwde als een distractie. Dit was geen misprijzen voor de grote filosofische vraagstukken, maar de overtuiging dat zij maar opgelost zouden worden door de strijd tegen de vervreemding, de verdinglijking en het fetisjisme van de koopwaar. Alles komt dus neer op de klassenstrijd, de revolutionaire politiek. Daarom vat de elfde thesis over Feuerbach goed het praktisch engagement samen van onze kameraad:  ” de filosofen hebben de wereld slechts verschillend geïnterpreteerd; het komt er op aan haar te veranderen “.

Aansluiting bij de Vierde Internationale

François werd opgemerkt door de kleine kern van de Vierde Internationale in België, waarvan de leden aan “entrisme” deden in de sociaaldemocratie via de bladen Links en La Gauche, en sterk aanwezigheid waren in de Socialistische Jonge Wacht. Een eerste contact met Guy Desolre leverde niets op. Desolre was ” te intellectueel ” en, wat zijn zaak er niet op verbeterde, hij wist niets van voetbal! Emile Van Ceulen, een arbeider, boekbinder, overtuigde François wél: zij hadden een gelijkaardige aanpak. Zo sloten de meest actieve leden van de MRB aan bij de Vierde Internationale, en François ontplooide zijn activiteit in een breder kader.

In 1964 werden de trotskisten uit de BSP uitgesloten: het onverenigbaarheidscongres. In Vlaanderen richtten ze de SBV op (Socialistische Beweging Vlaanderen) die in 1965 opkwam met de verkiezingen. De bioloog Filip Polk was kandidaat in Gent; in Antwerpen werd de lijst getrokken door Kamiel Huysmans, een historische figuur van de arbeidersbeweging. François wilde niet op de lijst staan: steeds weer die timiditeit.

Rond Mei 68

Denis Horman herinnert zich hoe François het land afdweilde voor de SJW, in 1967-68. De syndicale voorhoede moest gewonnen worden voor het revolutionair marxisme. Zo gaf hij in het Maison Ouvrière van Quaregnon bij Mons vorming aan een groep jonge arbeiders en leerlingen van technische scholen, waaronder onze kameraad Willy Goval, die later syndicaal delegee werd bij Verlipack in Ghlin en gemeenteraadslid in Quaregon. Dank zij Brassens sprak François erg goed Frans al zou hij nooit van zijn Antwerps accent afraken.

François was erg goed in het geven van vorming, wat hij benaderde volgens de formule van Karl Radek : ” De leden toegang geven tot het laboratorium van het politieke denken “. Hij deed dit met oneindige toewijding, en bereidde zijn dossiers voor met zorg. Velen onder ons herinneren zich zijn lessen over de Duitse revolutie, of over het ” plan De Man “, bijvoorbeeld.

Reeds vanaf de tweede helft van de jaren zestig wierp François zich op als een vooraanstaand jong kader ook op internationaal niveau, meer bepaald via bevoorrechte contacten met de Franse JCR. Hij speelde een actieve rol in de mobilisatie voor de Europese betoging tegen de oorlog in Vietnam, in februari 1968 in Berlijn, en daarna in de organisatie van het congres voor een Rood Europa in Brussel in november 1970, en voerde de Belgen aan naar de grote betoging voor de verjaardag van de Commune, in mei 1971 in Parijs.

François en zijn kameraden waren als vissen in het water in de sfeer van ” Mei 68 “. Toch werd de SBV verrast door de studentenbeweging voor ” Leuven Vlaams “, die in 1968 haar hoogtepunt kende. Zij hadden niemand in Leuven. De meeste leden, afkomstig uit het milieu van socialisten, communisten of vrijdenkers, keken neer op de agitatie van studenten die recht uit de katholieke zuil kwamen, zoals Paul Goosens of Ludo Martens. Dat was een grote vergissing waar we vandaag nog de gevolgen van dragen. Deze radicaliserende generatie katholieke studenten vond niets beter dan de hersenspoeling door het Kleine Rode Boekje van Mao Zedong. Het vervolg is bekend.

Stichting van de RAL en ” vadermoord “

Uit de fusie van de Socialistische Jonge Wacht, de Parti Wallon des Travailleurs (Waalse Partij van de Werkers), de SBV en de Brusselse Union de la Gauche Socialiste (UGS, Unie van Socialistisch Links) ontstond in 1970 de RAL, waarvan François onmiddellijk de leidende figuur was. Het was de tijd van de ” wilde ” stakingen (staking van de Limburgse mijnwerkers, staking van Caterpillar-Gosselies en andere), van de solidariteitscampagnes met de Indochinese revolutie, van de acties tegen het Griekenland van de kolonels en het ten dode opgeschreven regime van Franco in Spanje. François groeide als leider.

Naar het einde van de jaren ’70 bracht zijn praktische opvatting over de politiek François er toe zijn ” leermeester ” Ernest Mandel steeds kritischer te bekijken, en zelfs diens ” meester ” Leon Trotski. Dat was een pijnlijk proces, een soort vadermoord. Geleidelijk aan won de overtuiging veld dat Ernest geen overtuigend antwoord had op de vraag van de opbouw van de organisatie. Grof geschetst meende François dat Ernest de oplossing doorschoof naar de prerevolutionaire crisis, wanneer een kleine organisatie zeer snel zou kunnen groeien.

François stond ook steeds kritischer tegenover Trotski, waarvan hij vond dat diens flamboyante stijl maar al te dikwijls deed vergeten hoe moeilijk hij concrete antwoorden aanbracht die gedragen werden door een collectief. Wat dat betreft was Lenin beter. François begon materiaal te verzamelen voor een boek over Lenin, maar hij heeft nooit de kans gekregen het te schrijven.

Een vergadering van de Politieke Bureaus van de Europese afdelingen begin van de jaren ’80 in Toulouse bracht dit denkproces van onze kameraad in een hogere versnelling. Tijdens deze vergadering kreeg Mandel kritiek voor zijn foute voorspellingen over de ” gecombineerde revolutionaire opgang in de landen van Zuid-Europa “, de ” beslissende gevechten in de komende vier of vijf jaar “, en de gevolgen die deze voorspellingen hadden voor de organisaties. François keerde terug met de versterkte overtuiging dat Ernest een ” semi-gauchistische ” en ” semi-spontaneïstische ” opvatting had over de politiek. Hij was overtuigd dat deze visie diep doorgedrongen was in onze stroming en haar belette zich nauw te verbinden met de arbeidersvoorhoede in de vakbonden.

Opbouwen rond de politieke lijn

François ging dan op zoek naar een antwoord op de vraag ” hoe een revolutionaire organisatie opbouwen in een niet revolutionaire periode? “. Hij schreef ” Vijf stellingen over de omvorming van de partij “, waaruit de idee ontstond dat de partij opgebouwd wordt rond haar politieke lijn. Hij omschreef de politieke lijn als ” het programma zoals het zich manifesteert in een gegeven sociale conjunctuur ” – anders gezegd het geheel van de antwoorden op de actuele problemen, in een samenhangend antikapitalistisch perspectief. Het zwaartepunt werd zo verlegd van het maximumprogramma naar het antikapitalistisch alternatief, van de propaganda naar de agitatie, van de ietwat gemystificeerde ” voorhoede met massakarakter ” naar de bestaande linkerzijde in de schoot van de sociale bewegingen, meer bepaald de vakbonden.

“Opbouwen rond de politieke lijn”, betekende dat men zich in elke concrete situatie afvraagt: “Wat denken we hier van? Wat zeggen we erover? Wat doen we, en hoe organiseren we ons daarvoor collectief? Welke balans maken we na elke etappe?” Deze benadering had een radicale democratisering als gevolg van het interne functioneren, en voor François was dit een bewuste doelstelling. De debatten werden voor elkeen toegankelijk, het was gedaan met het uitstallen van kennis, en de intellectuelen werden uitgenodigd hun kennis in dienst te stellen van het collectief, en niet omgekeerd.

Aan politiek doen in de vakbonden… zonder arbeiderisme

François wilde deze aanpak vooral ontwikkelen voor het winnen van invloed in de schoot van de vakbonden. Volgens hem was dat terrein in ons land inderdaad beslissend voor de opbouw van een revolutionaire organisatie. Zijn verfijnde analyses van onze syndicale beweging, van de crisis van het ” zuiver syndicalisme “, van het ” oppositioneel reformisme van het ABVV “, van de inwendige dialectiek in de schoot van de syndicale organisaties, leidden tot het besluit dat ” het politiek debat ingevoerd moet worden in de vakbonden, dit is de kwestie van het programma en het politieke verlengstuk “.

Deze strategische visie is nog steeds de onze en ze is niet vreemd aan de opmerkelijke stellingname van het ABVV van Charleroi in 2012. François heeft niet de kans gehad erover te praten maar hij wist ervan, en zijn ogen schitterden van enthousiasme bij het horen van de standpunten die Daniel Piron en zijn kameraden hadden ingenomen. Zo is het een understatement te zeggen dat de opvattingen van onze kameraad nog leven. Zij spreken ons nog toe en moedigen ons aan vertrouwen te hebben in ons programma.

François was daarom nog geen “ouvriérist”, wel integendeel. Een van de belangrijkste terreinen voor de toepassing van zijn opvattingen over de opbouw van de organisatie was de gigantische massamobilisatie tegen de installatie van de NAVO-raketten tussen 1980 en 1987. Onder zijn impuls bouwde de afdeling aan de vredesbeweging op een unitaire basis, en profileerde zich tegelijk op een lijn van eenzijdige ontwapening, gekoppeld aan de strijd tegen de werkloosheid (” Weg die bommen, werk verdomme “).

François zou zichzelf nooit een feminist hebben genoemd – daarvoor was hij zich te zeer bewust van de patriarchale onderdrukking en haar implicaties voor het in vraag stellen van het gedrag van mannen. Maar hij was krachtig solidair met de strijd van de vrouwen, die hij beschouwde als een integraal onderdeel van de antikapitalistische strijd. Hij steunde het principe van de autonome vrouwenbeweging en de zelforganisatie van de vrouwen in de schoot van de afdeling. Hij had een beslissende bijdrage in het feit dat de leiding van de afdeling in detail discussieerde over de inzet van de beweging voor abortus uit het strafrecht, en daarna over ” Vrouwen tegen de crisis “.

Hij stond open voor het milieuvraagstuk dat hij aandachtig volgde. Oostenrijkse kameraden waren actief geweest in de campagne voor een referendum dat was uitgelopen op een verbod van nucleaire energie in dat land, in 1978. François nam het initiatief hen uit te nodigen in België. Tien jaar later stelde hij voor dat wij het initiatief zouden nemen voor een organisatie vernoemd naar Chico Mendes, de ecosocialistische seringuero uit Brazilie, die vermoord werd door grootgrondbezitters omdat hij het amazonewoud verdedigde. Dit project werd niet gerealiseerd.

Van de school in Amsterdam naar de Europese Antikapitalistische Linkerzijde

Ik ga sneller over de investering van François in de IVde Internationale, waar anderen over spreken. Vanaf 1981 zou François vier jaar lang halftijds meewerken aan de lancering van het IIRE (de ” school “) in Amsterdam. Intellectueel gezien was het voor hem een opwindende periode, want het gaf hem de kans zijn kennis van de revoluties te verdiepen, meer bepaald van de Russische revolutie. Maar het was ook zwaar, want de school ontving stagiairs voor een periode van drie maanden, en elke woensdagavond nam François de trein terug naar Brussel om deel te nemen aan de vergaderingen van de leiding van de afdeling. Na de vergaderingen, in de Falstaff of ergens anders, vertelde hij met enthousiasme over de rijkdom van zijn samenwerking met Pierre Rousset, bijvoorbeeld hun ontdekking van de werken van Shanin.

Tien jaar later kreeg het militante leven van François een andere wending. In 1991 overtuigde Ernest Mandel hem ervan vrijgestelde te worden voor het ” Bureau ” van de Vierde Internationale, met als opdracht de coördinatie van de interventie van de Europese afdelingen.

Het was de laatste grote activiteit van onze kameraad. Een decennium lang besteedde hij zijn energie en intelligentie aan de analyse van de ” despotische Europese proto-staat ” en de opbouw van de Europese Antikapitalistische Linkerzijde. Hij reisde het continent af, knoopte banden aan met Rifondazione Communista, de Scotish Socialist Party, de Rood-Groene Alliantie in Denemarken, het Portugese Bloco, het Zwitserse SolidaritéS, de Franse LCR,… Zijn onverzadigbare leeshonger was de bron voor grondige artikels voor Inprecor, het blad gemaakt door zijn kameraad Janek Malewski.

In 2005 nam François het initiatief voor een colloquium ter ere van diegene die ondanks alles zijn geestelijke vader bleef, Ernest Mandel, tien jaar na diens dood. Daar, voor het eerst, ten overstaan van 200 mensen, werden veel kameraden voor het eerst frontaal geconfronteerd met de gevolgen van de vreselijke ziekte die hem ondermijnde, en die hem uiteindelijk fataal zou worden.

Onze vriend Jean Batou, lid van de Zwitserse groep SolidaritéS, herinnert zich de periode van de Europese Antikapitalistische Linkerzijde. Zijn woorden over François vormen het slot van dit eerbetoon: “Wij herinneren ons hem als een onvermoeibaar voorvechter van de menselijke ontvoogding. Hij bezat een scherpe geest, creatief, gul, zonder enig spoor van arrogantie of sektarisme, wat hem ertoe bracht antikapitalistische krachten in Europa samen te brengen om te wegen op de herschikking van links, al in het begin van het nieuwe millennium. Hij blijft voor ons een prachtig voorbeeld van vertrouwen in ons programma en in onze waarden.”

Adieu kameraad, adieu groot hart. Adieu en dank je wel!


De jaren ’70, bewogen jaren

Door Nadia De Mond

François heeft altijd een bijzondere plaats in mijn leven ingenomen. We leerden  mekaar kennen in de RAL, de Revolutionaire Arbeidersliga, eind 1972, toen ik als kersvers studentje op de universiteit van Gent zat en hij, die daar al lang afgestudeerd was, terug was van zijn militaire dienst en gescheiden van zijn eerste vrouw, Rina. Al vlug gingen we samenwonen in Antwerpen, in een gemeenschapshuis samen met andere kameraden. Het was de tijd van de grote studentenbewegingen, de wilde stakingen en de opkomende revoluties (en contrarevoluties) in verschillende delen van de wereld. Ik herinner me nog perfect hoe we samen gespannen, minuut per minuut, de berichten op de radio volgden over de putsch in Chili en hoe Sois elke dag de kranten, maar vooral Le Monde, uitpluisde om de internationale klassenstrijd op de voet te volgen. Verschillende leiders van de Vierde Internationale die ook vrienden van Sois waren, passeerden bij ons dat jaar: Alain Krivine, Tariq Ali, Vergeat vulden de avonden met boeiende gesprekken, die van de internationale solidariteit een concrete aangelegenheid maakten.

Enkele maanden later besliste het Politiek Bureau dat de RAL een vrijgestelde nodig had, en de keuze viel op Sois; hij zou in het nationaal lokaal gaan werken en ik aan de VUB gaan studeren. We verhuisden dus naar Brussel. Geen kleine verandering. Een burgerlijke stad, ver van ons volkse Antwerpen, een andere politieke wereld, hoofdzakelijk Franstalig. Maar de militante activiteiten zorgden ervoor dat we vlug inburgerden. We zaten in de voorbereiding van het 10e wereldkongres dat o.m. discussieerde over de guerrillastrijd in Latijns-Amerika, en het geanimeerde 3de congres van de RAL met zijn fameuze vier politieke tendensen. Na elke vergadering van het Politiek Bureau werd er hevig door gediscussieerd bij de Grieken aan het Zuidstation, met een fles Retsinawijn en een Moussaka.

Sois reisde het land op en af in het kader van het vormingsprogramma van het Leon Lesoil-fonds: bestaande uit vier of vijf grote onderwerpen: geschiedenis van de Belgische arbeidersbeweging, marxistische theorie, lessen uit de internationale revoluties,… elk met een vijftal  ondertitels. Als je heel dat programma had gevolgd, had je een serieuze basis als trotskistisch militant, die je in staat stelde zelf een concrete inbreng te hebben in het politieke leven. Sois nam grote delen van de voordrachten voor zijn rekening. Hij was een boeiend spreker en ik ging graag met hem mee om nog meer bij te leren. Zijn politieke stempel is mij, en ik denk ook vele andere kameraden in deze zaal, heel mijn leven bijgebleven.

De sfeer van algemene contestatie van de bestaande wereld stelde ook de man-vrouwrelatie en het gezin in vraag. Met de slogan “het persoonlijke is politiek”, liet de invloed van de  vrouwenbeweging zich ook bij ons voelen. Er werd duchtig geëxperimenteerd met nieuwe samenlevingsvormen. Ook ons koppel hield geen stand. We gingen opnieuw in een gemeenschapshuis wonen, ik  in de Roffiaenstraat, onder meer met Patrick Gregoire en met Leen, Sois’ nieuwe vriendin, en Sois in de Dietrichlaan, met andere kameraden.

Het was een periode van gepassioneerde politieke inzet en van intense menselijke relaties, die je waarschijnlijk de rest van je leven bijblijven. Voor mij bleef Sois de trouwe vriend en kameraad waaraan ik al mijn grote keuzes kon toetsen. Een soort rots in de branding, hoewel hij zelf, op persoonlijk vlak, ook wel eens het Noorden kwijt was. Maar niet wat de politieke lijn betrof!

Nadat ik naar Italië was verhuisd, werden Leen en hij mijn thuishaven in Belgie. Gelukkig brachten zijn internationale politieke taken en zijn bewondering voor Italië hen vaak naar het Zuiden. Zijn tussenkomsten over Europa op de stages en jeugdkampen werden ook door de Italiaanse kameraden ten zeerste geapprecieerd en voor François was de liefde wederzijds. Hij genoot van de Italiaanse levensstijl, “la dolce vita” en was goed op de hoogte van onze politieke omzwervingen.

Dat Sois in zijn brein, en meer bepaald in zijn taalvermogen getroffen werd, lijkt, zoals Freddy De Pauw al schreef, een trieste ironie van het lot. Er kwam een einde aan onze zinvolle gesprekken die heel mijn leven doorkruisten. Wat bleef was de daaronder liggende, liefdevolle en speelse Sois, die zich tot het einde heeft weten te uiten.

Ciao, Sois. Ciao caro amico.


Met heel veel spijt

Door Ida Dequeecker

De sluipmoordenaar in zijn hoofd heeft Çois eindelijk geveld. Nee, Çois was niet zo iemand die één was met zijn ziekte. Hij heeft wel het beste gemaakt van een door die ziekte verminkt leven. Met Leen aan zijn zijde is hij daarin geslaagd. Ook met kameraden, vriendinnen en vrienden, familie, maar toch vooral met Leen. Çois wist tot op het laatste dat zij er altijd was voor hem.

Het verlies van de taal heeft Çois schielijk de pas afgesneden. Weg waren de woorden om keuzes over zijn leven kenbaar te maken. Er zijn nog die onvoorspelbare momenten geweest waarop hij te kennen gaf dat hij niet meer gaf om zijn leven zoals het geworden was. Met gebaren, met zijn gelaatsuitdrukking, met zijn hele lichaam maar dus niet met zoveel woorden. Die wilden niet komen, tenzij soms in onsamenhangende flarden. Als dan het besef kwam dat hij zich niet verstaanbaar kon maken… lachte hij zijn worsteling met die zwarte verlangens weg.

Met onnoemelijk veel gedeeld verdriet hebben wij het verlies van de intellectuele Çois moeten aanvaarden. De revolutionaire kameraad, de politieke creatieveling, de soms keiharde leider, die ons allen gevormd en soms doen beven heeft, de bedenker van onvergetelijke formules als “van de rand naar de kern”, “de dialectiek van de interventiesectoren” of het “AKA”, de boeken en krantenverslinder, de schrijver van onnoemelijk veel boeiende teksten, de begeesterende spreker, geraakte onafwendbaar in zichzelf opgesloten en takelde even onafwendbaar af.

Maar opsluiting en aftakeling gebeurden niet synchroon. Pen en papier, boek en krant waren zijn verbindingslijnen met een verleden dat hem ontsnapte. Ook woorden lezen, zomaar, zoals het woord “glas” op een glascontainer twee weken voor zijn dood nog. Het moet een hel geweest zijn voor hem. Het was er een voor ons. Want bij elk politiek gesprek, over de hoofddoek bijvoorbeeld of over de linkerzijde in Europa, zagen we hoe Çois onvermoeibaar het gesprek volgde, ja knikte bij bepaalde argumenten, iets wilde inbrengen…

“Ik zal maar zwijgen” is een van de laatste van betekenis doordrenkte zinnen, die ik Çois heb horen uitspreken, bijna twee jaar geleden. “Ik zal maar zwijgen”, onder verstaan, want wat ik te zeggen heb, krijg ik niet gezegd. “Ik zal maar zwijgen”. Woorden van berusting, terwijl alles aan hem intense spijt uitdrukte.

Geen schaamte om het “verlies van zijn verstand”, maar spijt, onpeilbare spijt. Het was zo mogelijk nog tragischer dan wanneer Çois zijn frustraties om de woorden die niet wilden komen, weglachte, soms voorafgegaan door een grappig en toch verontrustend salvo grammelot. Alsof hij, bekommerd als hij altijd was voor de ander, ons de gêne wilde besparen over zijn falen.

Gelukkig is de beminnelijke Cois, de charmante Çois, de sociale Çois, de speelse Çois ons nooit ontnomen. Çois hield van mensen, van vrienden, kameraden, familie, kennissen, buren, kinderen, voorbijgangers, medereizigers, mooie meisjes… Hij vertoefde met zichtbaar plezier in een pratend gezelschap. Ouders van een kind dat hij zo schattig vond, sprak hij woordeloos aan en ze begrepen hem. Tot kort voor zijn dood was hij altijd nog te vinden voor een spelletje voet- of handbal, een danspartij, een sessie samen naar muziek luisteren, samen lopen of fietsen.

Met zijn warme charme en beminnelijkheid vond Çois altijd wel de weg naar de ander. Inventief legde hij zijn allerpersoonlijkste communicatie-“regels” op. Mimiek, lach, gebaar … en als niets meer leek te kunnen was zijn specialiteit de practical jokes. Dat was Çois op en top: opgesloten in zichzelf, maar supercreatief met de middelen die hem restten om even uit die helse gevangenis te breken en de ander te bereiken. Vreugde en verdriet in één. Vreugde en verdriet die hij, de schaamte voorbij, deelde met die ander.

Men zegt dat gedeelde smart halve smart is en gedeelde vreugde dubbele vreugde. Troost komt in dat gezegde niet aan bod. Maar wie smart en vreugde kan delen opent de weg naar troost. Moedig en grootmoedig heeft Çois dat voor ons gedaan. Als aangekondigd afscheidsgeschenk kan dat tellen.

Bedankt, lieve Çois, dierbare vriend!

Print Friendly, PDF & Email
Share This