Henk Sneevliet (1883-1942), rebel in Azië en Europa

13 april markeerde de vijfenzeventigste verjaardag van de dood van de Nederlandse socialistische revolutionair Henk Sneevliet, die samen met zeven van zijn kameraden door de nazi’s werd vermoord. Sneevliet was de leider van het Marx – Lenin – Luxemburg Front, een ondergrondse organisatie die onmiddellijk na de Duitse inval in mei 1940 was opgericht. Sneevliet was op dat moment al een prominente socialist; vóór de oorlog reisde hij de hele wereld over, ondersteunde jonge communistische partijen en organiseerde solidariteit.

Sneevliet werd in 1883 in een arm gezin in Rotterdam geboren en na de dood van zijn moeder in 1886 door zijn oma en tantes opgevoed. Hij blonk uit op school en relaties van zijn familie gaven hem voldoende financiële steun om voortgezet onderwijs te volgen. Hij herinnerde zich later dat hij zich niet op zijn plek voelde tussen zijn rijkere klasgenoten. Er was nadat hij geslaagd was geen enkele manier om verder te studeren – iets waar hij met spijt op terugkeek – dus begon Sneevliet op zijn zeventiende te werken voor een grote spoorwegmaatschappij.

Hij was getuige van de armoede in zijn omgeving en ervoer de klassenverschillen uit de eerste hand. Dat maakte Sneevliet op jonge leeftijd bewust van maatschappelijke vraagstukken. Hij moet ook de stakingsgolf aan het eind van de negentiende eeuw hebben gevolgd. Sneevliet werd in 1902 lid van de Nederlandse Sociaal – Democratische Arbeiderspartij (SDAP).

Toen hij lid werd, waren de partij en de arbeidersbeweging ernstig verzwakt na een mislukte staking. Sneevliet behoorde echter tot een jongere generatie, onbelast door deze nederlaag. Hij en anderen van zijn leeftijd begonnen de beweging opnieuw op te bouwen.

Op vierentwintig jarige leeftijd werd hij de eerste socialistische wethouder in zijn nieuwe woonplaats Zwolle. Op de dag van de verkiezingen was Sneevliet nog niet oud genoeg om te stemmen, want hij moest vijfentwintig zijn. Hij was ook lid van de vakbond van spoorwegarbeiders geworden en werd in 1911 verkozen tot voorzitter.

Sneevliet werd in de richting van de radicale linkervleugel van de SDAP getrokken. Daar ontmoette hij Henriette Roland – Holst, of tante Jet zoals hij haar liefkozend noemde. Een bekende dichteres, marxistisch theoretica en boegbeeld van Nederlands radicaal links. Het socialisme van Roland – Holst was in die jaren revolutionair en doordrenkt met een sterk gevoel van ethisch engagement voor de zaak van de onderdrukten.

Sneevliet gaf jaren later blijk van dezelfde gevoelens, toen hij sprak over: “[D]e rijkdom, de Schoonheid, de Glans van de Religie der Sociaal-Democratie… Want de Sociaal-Democratie is wèl begrepen meer dan een politieke leer. Zij legt de zware verplichting op van getuigen, van het zaaien van propagandazaad in alle omstandigheden .”

In 1906 trouwde Sneevliet met Maartje Visser, maar het huwelijk werd twee jaar later ontbonden toen ze hem verliet. Van 1909 tot 1924 was hij getrouwd met Betsy Brouwer, een lerares. In 1911, kregen ze twee zonen, een tweeling, bijgenaamd Pim en Pam. Twee jaar na zijn scheiding van Brouwer, trouwde hij met Sima Zolkovskaja die hij in het begin van de twintiger jaren in Rusland had ontmoet. Zij kregen een dochter, die ook Sima genoemd werd. Het huwelijk werd ontbonden, en hun dochter verklaarde dat ‘de breuk politiek was. Zij had een heilig geloof in Stalin, terwijl Sneevliet een tegenstander van de Sovjet – leider was geworden. In 1931 trouwde hij met Wilhelmina Hendrika Draaijer.

In 1911 verliet Sneevliet de SDAP, omdat de partij en de aan haar gelieerde vakbondsfederatie weigerden om een staking van niet-aangesloten vakbonden te ondersteunen. Sneevliet zag dit als een onaanvaardbare schending van de solidariteit. Zijn breuk met de partij maakte zijn rol in zijn door de SDAP gedomineerde vakbond onhoudbaar. Die situatie werd alleen maar erger toen hij zich aansloot bij de linkse afsplitsing van de partij, de SDP. Hij was werkloos en had het gevoel geïsoleerd te zijn in de kleine en sektarische SDP en besloot om een nieuw leven in Nederlands-Indië te beginnen. In 1913 vertrok hij naar de Nederlandse kolonie.

Socialisme in Indonesië

Sneevliet kwam op een cruciaal moment in de Nederlandse kolonie aan. Kapitalistische sociale relaties drongen steeds meer tot de eilanden door, wat leidde tot groeiende klassen-differentiatie en de vroege vorming van een arbeidersklasse. Tegelijkertijd kwam een nationaal bewustzijn tot ontwikkeling en werden de eerste tijdschriften en bewegingen door pribumi, inwoners van de archipel, gevormd. De belangrijkste van deze inspanningen was de Sarekat Islam (SI), de Islamitische Unie.

De SI werd in 1909 opgericht, oorspronkelijk als een maatschappij voor wederzijdse hulp van islamitische handelaren, maar ontwikkelde zich tot een massabeweging die zich bezighield met sociale vraagstukken van brede lagen van de Indonesische samenleving. Aangezien Nederlandse kolonialisten de economie beheersten, werden deze problemen al snel politiek.

Sneevliet kreeg uiteindelijk een baan als secretaris van de Handelsvereniging in Semarang, de hoofdstad van Midden-Java. Sneevliet had geluk: Semarang was een snel groeiende stad en het hart van radicaal activisme in Indië. In haar boek The Rise of Indonesian Communism, schrijft Ruth McVey: “Sneevliet deed tijdens werkuren uitstekend werk voor het bevorderen van het kapitalisme en de Handelsvereniging maakte geen bezwaar tegen zijn activiteiten buiten werktijd ten behoeve van het socialisme. Ze vroegen hem alleen om niet daadwerkelijk een revolutie te organiseren, maar dat is precies wat Sneevliet deed.”

Sneevliet werd actief in de Indonesische Spoorwegarbeiders Vakbond (VSTP), die, in tegenstelling tot andere vakbonden in de kolonie, zowel Indonesische als Nederlandse arbeiders als lid aannam. Hij leidde de vereniging met succes in een radicalere richting, in de richting van de meest verarmde Indonesische arbeiders. In mei 1914 richtten, op initiatief van Sneevliet, enkele tientallen socialisten de Indische Sociaal – Democratische Vereniging (ISDV) op. Aanvankelijk bestond de groep voornamelijk uit Nederlandse aanhangers van de reformistische SDAP – lijn. Maar radicalen zoals Sneevliet en zijn protégé Adolf Baars waren ervan overtuigd dat socialisten in de frontlinie moesten staan van de antikoloniale beweging, die vorm begon te krijgen.

Sneevliet overtuigde de ISDV ervan naar Indonesische massabewegingen, vooral de SI, toe te werken. Door haar werk met SI – leden, begon de groep wortel te schieten onder de gekoloniseerde bevolking. De politieke oriëntatie van de SI was nog steeds vaag, maar haar aanhangers begonnen het socialisme in toenemende mate positief te associëren met steun voor een onafhankelijk en welvarend Indonesië.

Baars en Sneevliet probeerden een linkervleugel binnen de SI op te bouwen en jonge activisten naar het socialisme toe te trekken. Onder hen waren de leiders van de toekomstige Indonesische Communistische Partij, zoals Semaun en Darsono. In 1920 veranderde de ISDV haar naam en werd de eerste Aziatische partij die toetrad tot de Communistische Internationale. Tegen die tijd was Sneevliet echter verbannen uit Indië.

In begin 1917 had hij enthousiast het nieuws van de Februari – revolutie verwelkomd in een artikel getiteld ‘Zegepraal’. ‘De Russische Revolutie ,’ schreef hij, ‘is de zaak van menselijkheid. .De Oorlog vloekt tegen menselijkheid. Het staat voor ons vast, dat de Russische Revolutie het einde van de wereldslachting zal verhaasten.’ De afsluitende regels van Sneevliet alarmeerden de rechtervleugel: ‘Hier leeft en duldt en lijdt en draagt een miljoenenvolk al eeuwen lang… ;’ ‘Volk van Java, de Russische Revolutie houdt ook lessen in voor U.’

Sneevliet werd beschuldigd van opruiing en verdedigde zich met een negen uur durende speech. Hij werd vrijgesproken en zijn toespraak werd gepubliceerd als een antikoloniale brochure.

De ISDV – radicalen hadden inderdaad aandacht besteed aan Rusland en begonnen in het najaar van 1917 met het organiseren van soldaten en matrozen in raden. Binnen een paar maanden maakten duizenden deel uit van deze beweging. Maar het was een zware klap voor de beweging toen Sneevliet in december 1918 werd uitgewezen.

In opdracht van de Komintern

Gedurende zijn verblijf in de kolonie was de SDP de Nederlandse communistische partij geworden en had deze twee zetels in het parlement gewonnen. Sneevliet trad toe tot de leiding van de toenmalige Communistische Partij Holland (CPH) en werd actief in het Nationaal ArbeidsSecretariaat (NAS), de oudste vakbondsfederatie in het land. Het NAS had radicalere standpunten dan zijn concurrent, het Nederlands Verbond van Vakverenigingen (NVV), maar het had ook minder leden.

Sneevliet bleef niet lang in Nederland. In 1920 bezocht hij als vertegenwoordiger van de Indonesische Communistische Partij het tweede congres van de Communistische Internationale, waar de koloniale strategie op de agenda stond. Lenin was één van de eerste Europese marxisten die het belang van bevrijdingsstrijd herkende.

Sommigen, zoals de Brits-Indische communist Manabendra Nath Roy, voorzagen zelfs dat gekoloniseerde landen het zwaartepunt van de revolutionaire beweging zouden worden. Sneevliet neigde ertoe om het eens te zijn met Roy op dit punt, maar steunde ook het voorstel van Lenin dat communisten in de koloniën burgerlijk – democratische bewegingen moesten steunen – op voorwaarde dat deze samenwerking de sociale strijd niet beperkte.

De antikoloniale strijd vertegenwoordigde een nieuw terrein voor veel marxisten en Sneevliet was één van de weinige mensen die ervaring had met het organiseren van een socialistische beweging in een koloniale context. Met de steun van Lenin werd hij secretaris van de Commissie van de Komintern voor Nationaliteiten en het Koloniale Vraagstuk en lid van de leiding van de Komintern. Hij werd belast met de opbouw van Komintern – activiteiten in Azië en één van zijn eerste opdrachten was om naar China te gaan, contact te leggen  met radicale groepen, informatie te verzamelen over de bewegingen daar en de mogelijkheden voor het communisme te onderzoeken.

Sneevliet ging in 1921 naar Shanghai, slechts een paar jaar nadat de Vier mei – beweging tot uitbarsting was gekomen. Deze combinatie van massademonstraties en culturele initiatieven was erop gericht om China te bevrijden van buitenlandse overheersing en de samenleving te moderniseren. Toen Sneevliet aankwam, was de beweging over haar hoogtepunt heen, maar er kwamen arbeidersorganisaties en socialistische groepen uit voort, waarvan sommige samengevoegd werden tot de Communistische Partij, die in 1921 werd opgericht. Het is niet zeker of Sneevliet het oprichtingscongres van de partij bijwoonde: hij woonde waarschijnlijk alleen haar eerste zitting bij, die door de politie uit elkaar werd gedreven.

Het begin van de partij maakte weinig indruk op de Nederlandse activist; slechts ongeveer een dozijn mensen was erbij betrokken en ze waren gedwongen om ondergronds te werken. Krijgsheren waren nog steeds aan de macht en hun moorddadige strijd verscheurde China. Sneevliet was van mening dat de partij voortijdig was opgericht.

In een poging om meer krachten te bundelen, nam Sneevliet contact op met Sun Yat Sen, de leider van de nationalistische Kuomintang (KMT). In Indonesië had Sneevliet gezien hoe een communistische partij kon worden opgebouwd door te werken in een nationalistische massabeweging. Hij betoogde dat de Chinese communisten hun afwijzende houding ten opzichte van de Kuomintang moesten verlaten en er politiek werk in zouden moeten ontwikkelen, net als de ISDV dat in de SI had gedaan. De Chinese communisten wezen het voorstel van Sneevliet aanvankelijk af en waren beledigd door zijn arrogantie.

Volgens CCP – leider Chen Duxiu had Sneevliet zelfs een beroep gedaan op ‘Komintern discipline’ om zijn voorstel door te drukken. De Chinese communisten traden uiteindelijk toe tot de KMT, maar Sneevliet was wantrouwend geworden over het militarisme van Sun Yat Sen en het autoritaire karakter van de partij. Hij geloofde dat de Sovjet Unie zou moeten wachten met militaire steun aan de partij totdat die getransformeerd was in een revolutionaire democratische partij. Hoewel de KMT uiteindelijk deze steun ontving, hervormde ze nooit. Onder Chiang Kai-shek keerde de KMT zich op moordadige wijze tegen links.

Sneevliet had meer vaardigheid als tacticus dan als strateeg; hij was altijd meer gericht op het reageren op het nu dan op het uitzetten van een lange termijn koers. Zijn onvrede met de SDP kwam uit hetzelfde voort als zijn eis dat communisten in nationalistische massabewegingen moesten werken: hij was bang dat revolutionairen zichzelf zouden isoleren.

Van de CPN naar de Vierde Internationale

Sneevliet keerde in 1924 terug naar Nederland en werd verkozen tot voorzitter van het NAS, waardoor hij al zijn tijd aan politiek kon besteden. Het NAS daalde al enige tijd in ledenaantal en Sneevliet probeerde het tij te keren door organisatorische verbeteringen door te voeren.

Zijn betrokkenheid bij het NAS was de eerste bron van conflicten tussen Sneevliet en de Communistische Internationale. De Komintern wilde dat partijleden werkten in massa – vakbewegingen in plaats van zich af te sluiten in kleinere radicale formaties zoals het NAS. Sneevliet voerde aan dat in tegenstelling tot het grotere NVV, het NAS politieke stakingen organiseerde en een meer horizontale structuur had. Zijn persoonlijke ervaring in het NVV speelde zeer waarschijnlijk een rol in zijn analyse.

Vakbondspolitiek was niet de enige bron van onenigheid. Sneevliet was van mening dat de Russische partij te veel macht in de Komintern had, wat betekende dat de Sovjet – belangen haar internationale strategie leidden. Hij maakte bezwaar tegen het repressieve karakter van de Sovjet-Unie en begon de kant van Leon Trotski en zijn Linkse Oppositie te kiezen.

In 1927 probeerde de Komintern de Nederlandse communisten te dwingen om binnen het NVV te werken en dus verlieten Sneevliet en zijn aanhangers de CPN. Twee jaar later richtten zij de Revolutionair Socialistische Partij (RSP) op. Een sterke syndicalistische stroming in het NAS wees politieke betrokkenheid af en Sneevliet wilde dat deze nieuwe partij de militante arbeidersbeweging voorzag van een politieke uitdrukking, onafhankelijk van zowel de CPN als de SDAP.

In 1935 fuseerde de partij met de Onafhankelijke Socialistische Partij OSP, een linkse afsplitsing van de SDAP, tot de Revolutionair Socialistische Arbeiders Partij (RSAP). De nieuwe partij had iets meer dan drieduizend leden, vooral geconcentreerd in de grotere steden. De kleine omvang maakte haar alliantie met het NAS – dat de partij een voet aan de grond gaf bij de meest radicale Nederlandse proletariërs – nog belangrijker.

De nieuwe partij had aanvankelijk nauwe banden met de linkse oppositie. Na er niet in geslaagd te zijn de Komintern te hervormen, wilden Sneevliet en Trotski allebei een nieuwe Internationale oprichten, maar ze waren het niet helemaal over alle punten eens. Trotski stelde op de eerste plaats dat communisten in massavakbonden moesten werken en niet in kleinere groepen zoals het NAS.

Daartegenover was Sneevliet bang dat de focus van de Vierde Internationale te smal was en haar lidmaatschap beperkt zou blijven tot marginale, puur trotskistische groepen. Sneevliet wilde samenwerken met groepen zoals de Engelse Independent Labour Party (ILP) en de Spaanse Partido Obrero de Unificación Marxista (POUM), maar Trotsky hekelde deze partijen als centristen die niet konden kiezen tussen revolutie en hervormingen.

Trotski dacht dat de leiders van deze bewegingen in tijden van crisis gedoemd waren te mislukken en dat hun volgelingen in zulke tijden revolutionairen konden worden, maar dat de Vierde Internationale een duidelijk alternatief moest bieden om hen aan te trekken. Sneevliet gaf daarentegen prioriteit aan het werken met radicaliserende arbeiders. Uiteindelijk zouden die meningsverschillen tot een bittere breuk tussen de twee revolutionairen leiden.

Middernacht in de eeuw

In 1933 werd Sneevliet opnieuw met de aanklacht van opruiing geconfronteerd, dit keer door  zijn steun aan een muiterij op het marineschip De Zeven Provinciën. Met de bezetting van het schip protesteerde een deel van de gemengde Nederlandse en Indonesische bemanning tegen slechte lonen en arbeidsvoorwaarden. Na enkele dagen van onderhandelingen gaf de Nederlandse minister van Defensie toestemming een aanval uit te voeren waarbij drieëntwintig bemanningsleden gedood werden.

De muiterij werd het symbool van de gezamenlijke Nederlandse en Indonesische rebellie en werd gezien als onderdeel van de groeiende weerspannigheid van de Nederlandse kolonie. Sneevliet kreeg vijf maanden gevangenisstraf en zijn partij voerde campagne onder de slogan ‘Sneevliet: uit de cel in de kamer’. Hij won een zetel.

De verkiezing van Sneevliet vertegenwoordigde een van de weinige lichtpuntjes in die jaren. In het zelfde jaar 1933 kwam Hitler aan de macht. De grootste en meest gevestigde arbeidersbeweging in Europa was niet in staat geweest om de opkomst van het fascisme te stoppen. En korte tijd later vaagden de Moskouse processen een generatie revolutionairen weg, van wie velen Sneevliet persoonlijk had gekend. Zoals Victor Serge schreef: was het ‘middernacht in de eeuw.’

Het uitbreken van de Spaanse Revolutie leek hoop te bieden dat het tij nog gekeerd kon worden. De RSAP wierp zich op het organiseren van solidariteit met de strijd tegen het fascisme. Enthousiasme voor de Spaanse zaak golfde door de hele RSAP, die informatie verspreidde, geld inzamelde om de POUM te ondersteunen en leden organiseerde om naar Spanje te gaan.

In de steek gelaten door de ‘democratische’ regeringen, werd de Spaanse Republiek in het nauw gedreven, terwijl Franco’s fascisten steun van Mussolini’s Italië en nazi-Duitsland kregen. Hoewel de Sovjet-Unie de Republikeinen steunde, onderdrukte de USSR dissidenten en anti-stalinistisch links. Piet van ’t Hart, die na de oorlog een biografie over Sneevliet publiceerde onder zijn verzetsalias Max Perthus, vocht mee met de POUM-militie. Hij werd ontvoerd en gemarteld door de geheime politie van de Sovjet Unie, die ook POUM-leider en vriend van Sneevliet, Andrés Nin vermoordde.

De  pogingen van de Sovjet Unie om bewegingen van oppositionele communisten te vernietigen hadden een directe impact op Sneevliet. Zo klein als de RSAP was, was deze nog steeds een van de grootste revolutionair socialistische groepen in Europa, onafhankelijk van zowel de sociaaldemocraten als communisten. Dit trok de aandacht van anti-stalinistische partijen, evenals van de Komintern en de geheime dienst van de Sovjet Unie, de NKVD. De Nederlandse communistische partij beweerde dat nazi-Duitsland de RSAP financierde en de communistische parlementsleden beschuldigden Sneevliet ervan dat hij een nazi-agent was.

In 1937 nam Ignace Reiss, een gedecoreerde Sovjet – spion, contact op met Sneevliet. De twee mannen kenden elkaar sinds 1920. Reiss wilde de hulp van Sneevliet om met het Sovjet – regime te breken, maar op weg naar de ontmoeting vermoordden Sovjet-agenten hem.

De NKVD hielp ook de relatie tussen Sneevliet en Trotski te vergiftigen. Trotski’s verbinding naar zijn Europese kameraden ging via zijn zoon in Parijs, Leon Sedov, wiens secretaris, Mark Zborowski, een Sovjet-spion was. Sneevliet verdacht hem, maar Sedov en Trotski vertrouwden hem en maakten bezwaar tegen de door Sneevliet geuite beschuldigingen.

De meningsverschillen tussen Trotski en Sneevliet verdiepten zich. Sneevliet nam Trotski zijn harde kritiek op de POUM, die vocht voor haar voortbestaan, kwalijk. Een steeds meer bittere en geïsoleere Trotski begon te suggereren dat het vakbondsstandpunt van Sneevliet werd ingegeven door bekrompen eigenbelang – hoewel Sneevliet op verschillende momenten had aangeboden om zijn positie op te geven. In 1938 schreef Trotski aan zijn secretaris, ‘Kan ook maar iemand een ogenblik geloven dat in geval van deelname van Nederland aan de oorlog, Sneevliet in staat zal zijn tot een revolutionaire houding? Alleen een blinde kan dat geloven.’ In dit geval vergistte Trotski zich volledig.

Trotsky’s kritiek op het NAS was dichter bij de waarheid. De federatie had zijn wortels in de eerste plaats onder radicale arbeiders in de sectoren bouw en transport, met weinig leden in de moderne industrie. Maar zelfs in sectoren waar ze het sterkst was, organiseerde de vereniging nooit meer dan een minderheid, zij het een militante. Hoewel het NAS was gedecimeerd tot ongeveer tienduizend leden, weigerde Sneevliet de organisatie te verlaten. De RSAP raakte steeds meer geïsoleerd in het krimpende milieu van radicale NAS-leden.

Ondertussen werd Sneevliet geconfronteerd met ongelooflijk persoonlijk leed. Zijn beiden zonen pleegden zelfmoord: Pim in 1932, Pam in 1937. Kort ervoor had Pam ruzie met zijn vader: hij wilde naar Spanje, maar Henk verbood het en beklemtoonde dat het partijlidmaatschap van zijn zoon betekende dat ook hij gebonden was aan het partijbesluit dat de leden dit besluit niet individueel konden nemen. Een paar jaar later verloor Sneevliet het contact met zijn dochter Sima.

Sneevliet was een aanmatigend, soms autoritair leider, die het soort patriarchale leiderschapsstijl had die niet ongewoon was in de socialistische beweging. Zijn schoonzoon Sal Santen zou later schrijven dat Sneevliet er van uitging dat hij beslissingen kon nemen in naam van de jeugdgroep van de partij. Gedrag als dit droeg ertoe bij dat een aantal jonge activisten, Santen inbegrepen, de partij verliet.

Sneevliet had de neiging om politieke meningsverschillen als persoonlijk verraad te behandelen. De RSAP was zijn partij – hij was haar ideoloog, haar leider en haar woordvoerder. Persoonlijke meningsverschillen liepen al snel uit op conflicten met de partij. Maar Sneevliet was ook een toegewijde leider met een ongewoon talent om toewijding en moed in anderen te inspireren.

Het Marx-Lenin-Luxemburg Front

Vóór de oorlog besprak de RSAP wat te doen als Duitsland Nederland zou bezetten. De leiding besloot dat de meest betrouwbare partijleden een ondergrondse organisatie zouden opzetten om clandestien verzet te organiseren. De naam werd het Marx-Lenin-Luxemburg Front.

Op 10 mei 1940 viel nazi-Duitsland Nederland binnen en overwon al snel de Nederlandse verdediging. Sneevliet was in België toen de oorlog begon. Hij lapte een partijbevel, dat hij het land in het geval van een invasie zou moeten verlaten, aan zijn laars en keerde terug naar huis. Als een bekende linkse leider, stond hij al in het vizier van de nazi’s. Sneevliet dook onder, scheerde zijn hoofd en liet een lange baard groeien om te voorkomen dat hij herkend zou worden.

De eerste publicaties van de nieuwe ondergrondse organisatie tonen een heldere beoordeling van de situatie. Ze voorspelden dat de oorlog ongeveer even lang zou duren als de Eerste Wereldoorlog en zich uiteindelijk uit zou breiden naar de koloniën. Ze hadden geen illusies dat de nazi-heerschappij in bezet Nederland minder hard zou zijn dan in Duitsland.

Sneevliet en zijn kameraden riepen op tot een Derde Front, hun versie van het ‘Third Camp’ van een concept van de Amerikaanse socialist Max Shachtman. Ze publiceerden een oproep van de Arbeiders Partij van Shachtman die dit Third Camp omschreef als ’de ondergedompelde, smeulende werkende massa’s van de wereld, degenen die het werk doen en honger lijden in vredestijd en sterven in oorlogstijd.’ Zij betoogden dat het de taak van socialisten was om deze mensen te organiseren.

De helderheid van het Front was opmerkelijk in vergelijking met het grootste deel van de rest van links: het NAS hield gewoon op te bestaan, de leiders van de SDAP verklaarden dat verzet nutteloos was en ontbonden de organisatie, de communisten probeerden om legaal te blijven en weigerden zolang het Hitler-Stalin pact van kracht was om politieke slogans te voeren.

Het MLL – Front daarentegen probeerde acties te organiseren waarin arbeiders de strijd voor het socialisme combineerden met de strijd tegen het fascisme. De organisatie bleef uit de buurt van nationalistische verzetsgroepen die door rechtse figuren geleid werden en hield ook afstand tot andere linkse groepen die zich volgens haar niet voldoende distantieerden van de oorlogvoerende landen. Zoals de naam al aangeeft, zag het MLL – Front de Tweede Wereldoorlog als vergelijkbaar met de vorige oorlog: voor hen waren beide een botsing van imperialistische machten.

Het Front was gericht op het bereiken van de voormalige SDAP-aanhangers. Deze werkers waren talrijker en minder ideologisch gehard dan de leden van de CPN, en het MLL hoopte dat ze, na het zien van het falen van hun leiders, zouden kunnen worden overtuigd van de strategie van het Front.

De Februaristaking van 1941 betekende een hoogtepunt in het Nederlandse verzet tegen de nazi’s.

Die maand werd een Nederlandse fascist in Amsterdam gedood tijdens een gevecht met een joodse zelfverdedigingsgroep. In reactie op het aanhoudende verzet begonnen de nazi’s joodse wijken af te sluiten en op zeer gewelddadige wijze joodse mannen bijeen te drijven. Twee leden van de Communistische Partij, Piet Nak en Willem Kraan, riepen bij een protest mensen op in staking te gaan.

Het protest verspreidde zich snel naar steden buiten Amsterdam waarbij een groot deel van de organisatie van de staking gedaan werd door leden van de Communistische Partij. Maar de staking werd gewelddadig onderdrukt. Maurice Ferares, één van de CPN-leden die het beroemde pamflet waarin wordt opgeroepen tot de werkonderbreking typte, zei later: ’niemand kan het eigendom van de staking claimen. Het was een actie van de gehele bevolking van Amsterdam tegen de anti-Joodse maatregelen van de bezettende nazi’s.’

In de dagen voorafgaand aan de staking was er al een groeiend gevoel van onrust geweest. Het MLL-Front riep mensen op om zich te verzetten tegen het nazi-antisemitisme door zelfverdedigingsgroepen te vormen en protesten te organiseren:

“Als mannen en vrouwen uit de arbeiderswijken te hoop lopen in de Jodenbuurt van Amsterdam… zij de strijd opnemen tegen de betaalde bandieten van de Hollandse nationaal-socialistische beweging, dan hebben wij te maken met een prachtuiting van spontane solidariteit die in de bedrijven in hogere en meer afdoende vorm tot uiting moet komen. … Stroomt uit de fabrieken, verlaat de werven en de werken en sluit je in massa aan bij jullie in de buurten strijdende klassegenoten”.

Sneevliet en zijn kameraden dachten dat de staking bewees dat een Derde Front mogelijk was.

Kom broeders en zusters

De leden van het MLL-Front hadden weinig of geen ervaring met ondergronds werk. Ze probeerden Nederlandse arbeiders te bereiken door middel van tijdschriften, pamfletten, posters en graffiti. Het Front vond niet dat gewone Duitse burgers de vijand waren, verspreidde propaganda onder Duitse soldaten en smokkelde illegale publicaties Duitsland in. Hoeveel effect deze activiteiten hadden, is moeilijk in te schatten. Maar proberen anderen te bereiken en te tonen dat het mogelijk is om je tegen het nazi-bewind te verzetten hielp de hoop levend te houden. Gedurende de oorlog riskeerden leden van het MLL-Front en opvolgende organisaties hun leven voor deze activiteiten en voor het verbergen en helpen van mensen die gezocht werden door de nazi’s.

In het begin van 1942 werd een lid van het Front verraden aan de nazi’s. Na uren van gruwelijke marteling kregen de Duitsers meerdere namen. In de loop van de daaropvolgende weken werden de meeste leiders van de groep, waaronder Henk Sneevliet, gearresteerd. Bovendien kregen Ab Menist, Willem Dolleman, Cor Gerritsen, Jan Schriefer, Jan Koeslag, Jan Edel en Rein Witteveen de doodstraf. Cor Gerritsen pleegde zelfmoord in zijn cel, de anderen werden geëxecuteerd op 13 april 1942.

Na de oorlog beschreef een gevangene die in een cel aan de overkant van Sneevliet en zijn kameraden vast had gezeten hun laatste uur:

“Ze waren toen allen in één celletje gebracht, vlak tegenover de mijne, maat 90 x 200 cm. En toen dat ontroerende moment; ‘Laten we elkaar de hand geven’ en uit volle borst zongen toen zeven mannen een uur voor hun dood de Internationale. Wat een melodie en wat een woorden! Ik heb meeermalen een concert bijgewoond, maar nooit zo met gevoel en overtuiging horen zingen. Ik schaam me niet dat ik huilde”.

In zijn afscheidsbrief aan zijn stiefdochter en schoonzoon schreef Sneevliet:

“Jongens, ik had natuurlijk graag gewild, dat mij bespaard was gebleven om in dienst van mijn idealen het leven te moeten geven. Es hat nicht sollen sein. Plotseling komt het einde, waarmee ik me verzoend heb in het besef een trouw soldaat van mijn plicht e zijn geweest… Vergeet [je] vrienden en kennissen niet. Tot het laatste ogenblik hoop ik de kracht te bezitten om de Maleise spreuk te laten gelden: Berani Karena Benar – dapper zijn omdat het goed is! Dag lieve jongens, steunt elkaar, houdt vast aan elkaar, een innige afscheidkus. Jullie oom Henk”.

Sneevliet leefde zijn leven met een onwankelbaar geloof in het socialisme. Voor hem betekende dat niet de dictatuur van een partij of een leider: de kern van zijn socialisme was emancipatie van werkende mensen, vrijheid en internationalisme. Sneevliet en zijn kameraden hadden geen illusies over de stalinistische dictatuur en weigerden om vrede met het kapitalisme te sluiten. Ze vonden hun eigen weg door het politieke tumult van de vroege twintigste eeuw. Hun herinneringen blijven een bron van inspiratie en hun principes zijn nog altijd geldig.

Herdenking op 9 april

Ieder jaar organiseert het Sneevliet Herdenkingscomité op of omstreeks 13 april een herdenkingsbijeenkomst op ‘WESTERVELD’. Op deze dag wordt herdacht dat 75 jaar geleden op 13 april 1942 en op 16 oktober 1942 leden van het Marx-Lenin-Luxemburg-Front door de bezetter werden vermoord. Voor meer informatie zie de site van het Sneevliet herdenkingscomité.

Meer over Sneevliet en zijn strijdmakkers op de website van Grenzeloos:

Rob Lubbbersen: Willem Dolleman

Peter Drucker:Ab Menist

Dick de Winter: Korte geschiedenis van het Sneevliet herdenkingscomité

Rob Lubbersen: Mijn vader is niet overleden. Hij is vermoord. Door de nazi’s.

Rob Lubbersen: Wie was… Willem Dolleman

Jan Willem Stutje: De plaats van Henk Sneevliet in de nationale en internationale arbeidersbeweging

Een aantal geschriften van Sneevliet, vind u bij het Marxistisch Internet Archief.

Dit artikel verscheen oorspronkelijk in het Engels op Jacobin.

Print Friendly, PDF & Email
Share This