1914-1918 in Nederland en Indonesië: toen de soldaten revolutie wilden

Kiesrechtdemonstratie met contingent van de Vereniging van Sociaal-Democratische Mobilisatieclubs, 17 september 1916 (Collectie Ron Blom)

Kiesrechtdemonstratie met contingent van de Vereniging van Sociaal-Democratische Mobilisatieclubs.
17 september 1916 (Collectie Ron Blom)

Dit jaar is het 100 jaar geleden dat de Eerste Wereldoorlog uitbrak. Ron Blom en Theunis Stelling promoveerden in 2004 op een omvangrijk boek over linkse soldaten, matrozen en hun organisaties in Nederland tijdens deze oorlog. Hans Lammers van de Nederlandse Internationale Socialisten interviewde hen.

Hoe zijn jullie tot het schrijven van dit boek gekomen?

Theunis Stelling: ‘We kenden elkaar via de soldatenvakbond VVDM. Daar deden we vakbondswerk en voerden we acties tegen kernwapens en seksisme. Dit was begin jaren tachtig. Op sommige bijeenkomsten werd wel eens gezegd dat de VVDM de allereerste soldatenbond van de wereld was. We wilden weten of dit wel het geval was. Een aanknopingspunt was de muiterij op de kazerne in Harskamp die in oktober 1918 door soldaten in de brand was gestoken.’

Wat heeft jullie boek over opstanden in het leger aan het licht gebracht?

Stelling: ‘Achter alle muiterijen zat geen organisatie. Er was veel spontaan verzet net als in Duitsland en Frankrijk. Het Nederlandse leger was niet voorbereid op een oorlog. Niemand had verwacht dat de oorlog zo lang zou duren. De autoriteiten hadden eerder gerekend op vier maanden dan op vier jaar. Er moesten opeens tweehonderdduizend soldaten gehuisvest worden, vaak in tentenkampen waardoor er een modderige bende ontstond. De soldaten hadden veel klachten over hun voeding, slechte huisvesting, verloven die ze niet kregen, autoritaire behandeling door hun officieren. De officieren kwamen uit de gegoede burgerij en keken neer op de soldaten.

Toen ze de verloven gingen intrekken en er maar geen einde aan de oorlog leek te komen, groeide de ontevredenheid en escaleerde de situatie. In 1915 waren de muiterijen een direct uitvloeisel van de weinige verlofdagen. Er was sprake van een rellerige sfeer in Utrecht, Apeldoorn, Tilburg en Vlissingen. Toen in april 1916 de oorlog met Duitsland dreigde, kwam er een nieuwe golf van muiterijen. Soldaten weigerden uit te rukken of op het appel te verzamelen. In Utrecht werd een vrije zondag afgedwongen. Soldaten waren op zondag massaal naar huis gegaan, wat al een tijd oogluikend werd toegestaan. Toen dit werd gecontroleerd door de legerleiding ontstond er een muiterij en was de hele stad voor een tijd onrustig.’

Hoe sterk was links georganiseerd in het leger?

Stelling: ‘Je moet je voorstellen dat het heel moeilijk was om je te organiseren in het leger omdat het een behoorlijk autoritair systeem was. De soldatenleiders werden voortdurend overgeplaatst en er werden straffen uitgedeeld op het moment dat de officieren erachter kwamen dat er georganiseerd werd. Daar kwam nog bij dat de legeringen in afgelegen gebieden werden gedaan en door de verloven de continuïteit moeilijk was te handhaven. Toch waren er soldatenverenigingen en soldatenclubs georganiseerd door de sociaal-democraten, die wilden dat de arbeiders die het leger in gingen voor de vakbeweging behouden werden.

Die organisaties hadden ongeveer zevenduizend leden. Tijdens het aardappeloproer in juli 1917 en de vele broodrellen vanwege de slechte voedselsituatie werd er geschoten op demonstranten. Hierdoor werd het idee voor links benadrukt dat je iets moest gaan doen om te voorkomen dat de soldaten zouden schieten bij demonstraties.’

Wat was de invloed van de Russische en Duitse revoluties op de Nederlandse soldaten?

Stelling: ‘Dit moet een enorme indruk op ze hebben gemaakt. Met name de revolutie in Duitsland in 1918, waardoor de Duitse keizer naar Nederland vluchtte en die begon met de matrozenraden in Kiel. In heel Duitsland werden soldatenraden opgericht in navolging van de Russische. Daarbij waren de officieren afgezet en hadden de soldaten de wapens tegen hun eigen regering gericht.

In Nederland doet Troelstra (de voorman van de reformistische SDAP (Sociaaldemocratische Arbeiderspartij), de voorloper van de PVDA, n.v.d.r.) dan ook in november 1918 een revolutiepoging. De sociaaldemocratische soldatenleiders waren zo enthousiast dat ze zeiden dat het leger niet meer betrouwbaar was voor de staat. Ze baseerden zich op de muiterijen en de onrust in het leger. Ze hadden uitgesproken dat ze de revolutiepoging zouden steunen. De onderofficieren hadden aangegeven dat ze neutraal stonden ten opzichte van de poging, wat eigenlijk een steunbetuiging was.

Opmerkelijk is dat de autoriteiten dan van de ene op de andere dag de demobilisatie afkondigen. Opmerkelijk, want in Aken, vlak over de grens, waren de arbeiders- en soldatenraden aan de macht gekomen. Dat was toch geen veilige situatie voor de Nederlandse autoriteiten. Ze gingen buiten het leger om troepen verzamelen om de revolutiepoging neer te slaan. Zo werd de Vrijwillige Landstorm gevormd met mensen uit patriottische streken in Friesland en Limburg.

De Russische revolutie had voor revolutionair links een nieuwe vorm van militarisme laten zien en de soldatenraden die in Nederland werden opgericht hadden de Russische en Duitse als voorbeeld.’

Wat betekende dit voor de soldaten die in Indonesië zaten?

Ron Blom: ‘De Indonesische Sociaal-Democratische Vereniging (ISDV) had goede contacten met de soldaten. Van de matrozen was 90 procent lid van de matrozenbond en van de soldaten was 50 procent lid van de soldatenbond. Dit waren Nederlandse jongeren die vanwege armoede zich hadden aangemeld bij het Indonesische beroepsleger. Vaak probeerden matrozen tijdens de heenreis al te deserteren omdat ze door de slechte voeding, ziektes op het schip en de lijfstraffen al een vermoeden hadden wat hen te wachten stond in Indonesië.

Demonstratie van matrozen in Surabaya, Indonesië 7 mei 1916 (Collectie Ron Blom)

Op 5 juni 1918 brak er enige uren een muiterij uit van 87 soldaten op het marineschip Regentes vanwege het serveren van ongepelde “rode” rijst. De soldaten hadden er genoeg van iedere keer rijst te moeten eten terwijl ze aardappels gewend waren. Dit lijkt misschien klein, maar zo uitte zich een breder ongenoegen over de vernedering door de officieren, de schending van het briefgeheim en het negeren van klachten over het voedsel.

Voormannen van de ISDV, zoals Brandsteder en Sneevliet, hielden bijeenkomsten met soldaten over de Russische en Duitse revolutie en formuleerden eisen over de aanpassing van het straf en tuchtrecht. In het leger werden namelijk lijfstraffen toegepast die tot veel sluimerende ontevredenheid hadden geleid. Toen die leiders in november 1918 werden opgepakt onder andere vanwege de revolutie in Duitsland en de revolutiepoging van Troelstra, gingen soldatenactivisten raden oprichten.

In Surabaya maakten de soldatenraden zelfs afspraken over het moment waarop ze de macht konden overnemen. Deze plannen hebben we in ons boek opgenomen. Ze zien er vrij uitgewerkt en doordacht uit. Wat dat betreft waren ze verder in de voorbereiding op een opstand dan de soldaten in Nederland. En toch waren ze achteraf gezien naïef te werk gegaan omdat ze werden afgeluisterd en allemaal gearresteerd werden.’

In hoeverre was er sprake van een revolutionaire situatie in het leger in Nederland en Indonesië?

Blom: ‘Dit hebben we onderzocht aan de hand van de vier voorwaarden die Lenin stelde voor een succesvolle revolutie. De eerste voorwaarde gaat over de verdeeldheid van de heersende klasse. Die was er zeker. Vaak wisten de autoriteiten niet wat ze moesten doen. In Leiden bijvoorbeeld werden militairen betrapt op het inbreken in een wapendepot. Ze werden niet aangehouden door de politie, terwijl toch duidelijk was dat daar een sterke Leidse afdeling van de SDP aanwezig was en een soldatenraad.

De tweede voorwaarde over de middenklassen was ook aanwezig. De vakorganisatie van de onderofficieren hield zich afzijdig en koos daarmee indirect de kant van de soldaten. De derde voorwaarde, over de massa die niet meer met de oude orde verder wil, was ook aanwezig. Veel soldaten waren ontevreden en wilden verandering. De plotselinge demobilisatie leidde ertoe dat ex-soldaten Rode Gardes gingen vormen en hun wapens thuis hielden. Ze kregen een lage uitkering en hielden demonstraties en plunderingen vanwege hun armoede. In Indonesië hadden de autoriteiten bewust Nederlandse soldaten ingezet om tegenwicht te geven tegen eventuele nationalistische gevoelens van de inlanders. Maar ze kregen de meeste problemen met de Nederlandse soldaten.

De vierde voorwaarde, de revolutionaire massapartij, was niet aanwezig. De sociaaldemocratische soldatenleiders hadden tijdens de revolutiepoging van Troelstra geen uitgewerkt plan, omdat ze de verkiezingen altijd centraal hadden gesteld. Revolutionair-links had zich georganiseerd in een revolutionair-socialistisch comité. Met dertigduizend leden hadden ze wel een massa-aanhang, maar die was verdeeld over de te volgen tactiek. Ze hadden twintig soldatenraden van twintig tot vijftig mensen. Hierdoor bleven in 1918 acties van soldaten in Zeeland geïsoleerd ten opzichte van die in Amsterdam en Leiden. De ISDV in Indonesië was sterker dan revolutionair-links in Nederland, maar de leiding was verdeeld over steun aan de matrozen die in 1918 met een plan voor de opstand kwamen.

Vergeleken met de bolsjewieken, die in Rusland al vanaf 1903 werkten aan het opbouwen van het soldatenwerk en die in 1917 een goed geoliede revolutionaire partij hadden, was ook de ISDV niet goed voorbereid.

Dit artikel verscheen eerder op socialisme.nu. Het werd oorspronkelijk gepubliceerd in De Socialist nr. 158. 

 

Print Friendly, PDF & Email
Share This