Aanslag in Suruç: een aanval op solidariteit met Kobane

part-ref-ts-par8231368-1-1-0Een zelfmoordaanslag claimde de levens van zeker 30 jonge socialisten in in Suruç in Urfa, de Turkse stad nabij de Syrische grens. De aanslag op het Amara Cultureel Centrum, waar minstens 300 leden van de Federatie van Socialistische Jongeren Associaties (SGDF) verbleven, vond plaats kort voor hun geplande vertrek naar Kobane.

De jonge revolutionairen waren de dag van tevoren vertrokken uit Istanboel, Kadikoy om zich te presenteren als “de kinderen van Gezi”, genoemd naar de golf van protest die in juni 2013 begon in Istanboel. Als revolutionair socialistische jongeren uit het westen van Turkije zouden ze meehelpen aan de wederopbouw van Kobane.

In een video ter promotie van hun campagne vertelt een jonge socialiste van SGDF: “We gaan 500 bomen planten in naam van de revolutionairen die gedood werden in het verzet tegen ISIS in Kobane. We gaan ook fruitbomen planten in naam van Berkin Elvan [de 15-jarige jongen die gedood werd tijdens de Gezi-protesten], het oorlogsmuseum in Kobane herbouwen, de bibliotheek en de kinderopvang in het cultureel centrum herstellen, een speeltuin bouwen en bijdragen aan het opruimen van het centrum van Kobane.” De jongeren hadden boeken, speelgoed, kleding en jonge bomen bij zich.

De Turkse staat blokkeert voortdurend solidariteit met Kobane. In de herfst van vorig jaar werden tenten ter opvang van vluchtelingen vernield, en de menselijke keten van vredesactivisten langs de Syrische grens werd aangevallen met traangas. Terwijl vredesactivisten en hulporganisaties Kobane niet in worden gelaten, zijn er talrijke verslagen van IS-leden die de grens over steken.

Na maanden van strijd wordt het leven in Kobane weer georganiseerd. Honderden vrijwilligers uit verschillende landen nemen deel aan de wederopbouw. De mensen van Rojava roepen op tot solidariteit met hun verzet en er worden nieuwe banden gesmeed tussen het oosten en westen van Turkije, tussen de Koerdische beweging en breder links in heel Turkije. Aanslagen als deze zijn geen willekeur.

President Erdogan, in Cyprus om de 41ste verjaardag van de “Cyprus Vredesoperatie”, oftewel de Turkse invasie, te herdenken, veroordeelde de aanslag en verklaarde de zaak te volgen. Het is echter algemeen bekend dat de jonge socialisten al vanaf hun vertrek uit Kadikoy gevolgd werden door de geheime dienst. Hun bus werd in de gaten gehouden. Een maand geleden beval de gouverneur van Urfa de arrestatie van journalisten die vragen stelden over de aanwezigheid van IS-leden in de stad.

Aanslagen als deze hebben als doel de banden van solidariteit tussen mensen in het oosten en het westen van Turkije te breken. Ze hebben als doel om solidariteit die kunstmatige grenzen overstijgt af te schrikken. Daarom worden de veiligheidsdiensten ingezet tegen mensen die mee willen helpen in de wederopbouw van Kobane en niet tegen de fundamentalistische terroristen.

De internationale gemeenschap moet druk uitoefenen op de Turkse staat opdat deze stopt met het saboteren van solidariteitsacties, en haar veiligheidsdiensten niet inzet tegen vreedzame sociale en politieke bewegingen maar tegen de fundamentalistische terroristen die een veilig heenkomen vinden in Turkije. In Turkije en daarbuiten zijn protesten georganiseerd.

Deze jonge socialisten waren op weg om Kobane te herbouwen en ter nagedachtenis aan de gevallen revolutionairen van Kobane een bos te planten. Het is nu tijd om de internationale solidariteit te versterken en hun banier op te nemen. Zoals de dichter Ataol Behramoglu schreef in 1974: “op een nacht werd de beul wakker in zijn bed, hij zei: wat een dilemma mijn heer, hoe meer ik dood, hoe meer zij zich vermenigvuldigen. Maar ik sterf af, naarmate ik dood.”

Dit artikel verscheen oorspronkelijk op Grenzeloos.

 

Print Friendly, PDF & Email
Share This