Het erotische in de opera

werkkavelieVele opera’s gaan over seks. Onder de grote componisten was Mozart een specialist in het genre.

In Cosí Fan Tutte (”zo zijn de vrouwtjes nu eenmaal”) overtuigt een oude cynicus twee jonge mannen die vast geloven in de trouw van hun verloofdes, om hun geliefden wederzijds te verleiden. De meisjes geven natuurlijk toe aan de verleiding. Maar eens dit buitenechtelijk avontuur avant la lettre voorbij is, vinden de oorspronkelijke koppels elkaar weer. De orde is hersteld. Het was allemaal niet zo erg, vinden ze. Het is normaal dat men af en toe van partner wisselt. Mozart is een discipel van de Verlichting. Je moet tolerant zijn, ook in het huwelijk.

Maar Mozart gehoorzaamt af en toe toch aan de uiterlijke schijn van de hypocriete moraal, hij leeft tenslotte van zijn muziek. In de Toverfluit, die hij componeerde voor een volks publiek, brengt hij een boven elke verdenking van ontrouw verheven koppel ten tonele, de belichaming van de maçonnieke rechtschapenheid en de illusoire idealen van de Weense kleine burgerij. Maar hij is ook weer een meester in dubbelzinnigheid. In Don Giovanni wordt de antiheld gestraft en ter helle gevoerd. Niet omdat hij alleen al in Spanje 1003 vrouwen heeft verleid, maar omdat hij de vader van ña Anna heeft gedood. In diezelfde opera offreert de soubrette Zerlina haar “natuurlijke balsem” als troost aan haar jaloerse minnaar die een pak slaag van Don Giovanni heeft gekregen. Sommige passages in Mozarts opera’s werden tot in de 20steeeuw gecensureerd.

De romantici droomden van engelachtige huisgebonden vrouwtjes maar velen onder hen zochten hun plezier bij de duivelinnen van het bordeel. Marx’ tijdgenoot Richard Wagner (1813-1883), een groot romanticus en componist, bezingt de “vrije” of “buitenlegale” liefde, maar in gesublimeerde vorm. Volgens hem ligt de grote extase in de dood van beide geliefden, zoals ik in een vorig stukje heb beschreven.

Bij Richard Strauss (1864-1949) en zijn librettist Hugo von Hofmannstahl (1874-1929) wordt erotiek subtiel aangepakt. In Der Rosenkavalier verkleedt de jonge minnaar van de Marschallin, een dame van een zekere leeftijd, zich als jonge dame om hun relatie te verbergen, en het is als travestiet dat de jongen vervolgens wordt begeerd door een heer baron. De opera heeft iets weg van boulevardtheater, maar op een hoger, eleganter en spiritueler vlak. Het is tevens een parodie van het keizerlijke Wenen, de hoofdstad van Kakanië zoals Robert Musil het Habsburgse dubbelmonarchie noemde, een woordspeling op Kaiserlich (Oostenrijk) und Königlich (Hongarije). Het merkwaardige in de opera is dat Octavian, de jonge man in kwestie, gespeeld wordt door een sopraan die een mannelijke rol speelt die op een bepaald moment een vrouwelijke rol moet spelen. Genderkwesties zijn ingewikkeld.

In de opera Capriccio van Richard Strauss (die je niet mag verwarren met de Straussen van de Weense walsen) wordt de vraag gesteld die alle operacomponisten en librettisten zich stellen: prima la musica o prime le parole?, wat overheerst, de muziek of de woorden? Een dichter en componist discussiëren over deze kwestie in het gezelschap van een aantrekkelijke dame en kunnen het niet eens worden. De dame beslist dan om zowel van de muziek als van de tekst te genieten, onderverstaan van twee minnaars tegelijk.

Je moet je afvragen waarom de opera zoveel belang hecht aan erotiek. Is er misschien een band tussen muziek (waaronder de menselijke stem) en erotische prikkeling?

Print Friendly, PDF & Email
Share This