Maneki-neko of de ambachtelijke utopie

maneki-neko

Het is u hoogstwaarschijnlijk al opgevallen dat in de uitstalramen van sommige boetieks een kleurig gelakte aarden kat u vriendelijk toelacht. Soms staat ze ook op de toonbank. Ze staat op haar achterpoten en haar linker voorpoot beweegt ter hoogte van haar oor om de klant binnen te nodigen. Zo roept men in Japan iemand naar zich toe. Want uit dit land komt het sympathieke kitscherige diertje. Het heet maneki-neko, neko voor ‘kat’ en maneki voor ‘kom er in’. Deze ronselende kat komt niet uit het verre verleden van de oosterse archipel. Ze werd in 1925 uitgevonden door drie pottenbakkers, de heren Yanagi, Hamada en Kawai. Zij beschouwden de volkskunst als kunst en met de oprichting van mingei beweging verzetten zij zich tegen de galopperende industrialisering van Japan die het artisanaat, de ambachtelijke kunst bedreigde. In 1936 opende de Mingeikan in Tokyo zijn deuren en bood het publiek een uitgelezen collectie voorwerpen van de Japanse en Koreaanse volkskunst.

We maken in België de intrede mee van de maneki-neko nadat de kleine negerbustjes op de oude toonbanken allang zijn verdwenen. Dat bustje stelde een zwart jongetje voor die zijn hand ophield waarin je een geldstuk kon leggen en door een handeltje te bewegen slikte hij de munt in ten bate van het missiewerk in Congo. Als ongelovig kind kon ik niet aan de verleiding weerstaan om de kleine bedelaar te helpen in de redding van Afrikaanse zieltjes.

Kame (God of godheid in het Japans) zal mij niet vergeten. De mingei-beweging was niet de enige beweging in de wereld die opkwam tegen de veralgemeende omvorming van alle kunst in koopwaar. In de jaren 1860 ontstond eerder in het industrieel ontwikkelde Engeland de Arts and Crafts (Kunst en Ambacht) – beweging die zich bezig hield met architectuur, de sierkunsten en de schilderkunst. Sommigen beschouwen deze beweging als een voorloopster van de Jugendstil of de Art Nouveau in België vertegenwoordigd door Victor Horta en Henry van de Velde, respectievelijk de bouwer van het afgebroken Brusselse volkshuis en van de Boekentoren in Gent.

In de Engelse beweging speelde de socialistisch gezinde William Morris een belangrijke rol. Hij maakte meubels, muurtegels en behangpapier. Deze verdediger van de werkende klasse heeft een andere artiest bekendheid gegeven, nl. John Ruskin, de auteur van een Politieke Kritiek van de Kunst, een titel die ons doet denken aan een bekende criticus van het kapitaal. Ruskin’s artistiek ideaal stoelde op competentie en niet op concurrentie. Als romanticus interesseerde hij zich voor de gotiek en dat heeft zowat in heel Europa de bouw van neogotische scharminkels opgeleverd. Een staaltje daarvan is te zien op de Gentse Korenmarkt, met het vroegere postgebouw dat Amerikaanse en Japanse toeristen fotograferen als een authentiek middeleeuws ding. Brugge heeft ook zo’n ding met al evenveel fotografisch succes.

Het utopisme van de Arts and Crafts heeft ook de USA aangetast, maar daar spreekt men van de Design – beweging die zich vormde tussen 1910 en 1925. Zo was er de Prairie School in Chicago van de architect Frank Lloyd. Noteren we ook het tijdschrift The Craftsman van Gustav Stickey en de Rookwood pottenbakkerij in Detroit.

Het is utopisch te geloven dat een ambachtelijke nijverheid de industriële vermarkting van de kunst kan tegenhouden, een veralgemening van de warenproductie die de productie van kunst door het volk vervangt door een kunst voor het volk, het nieuwe opium van het volk. Maar dit utopisme maakt deel uit van ons verzet tegen de vermarkting. En zolang ze aanhoudt is alle hoop niet verloren.

Print Friendly, PDF & Email
Share This